Vlaaien zijn één van de populairste gebakken in Limburg, iedere gelegenheid lijkt wel een excuus om vlaai op tafel te toveren.

Per definitie is “een vlaai een cirkelvormig gebak met opstaande rand, die normaliter opgevuld wordt met vruchten”.

Vlaaien zijn geen exclusieve Limburgse aangelegenheid, hoewel ze dikwijls geassocieerd worden met Limburg.

Er zijn verschillende soorten vlaaien in Vlaanderen en daarbuiten gekend. Denk maar aan : Aalsterse vlaai, Lierse vlaaikes, ….  De samenstelling is wat verschillend dan van de Limburgse vlaaien.  En ook buiten de landgrenzen komt het woord vlaai in andere vormen voor (Vlade, Flade).

Wat maakt een vlaai dan een “Limburgse vlaai”?

Het deeg van een Limburgse vlaai wordt gemaakt van gerezen deeg. Dit kan zowel een gistdeeg als een linzendeeg zijn.

Het gistdeeg is een soort van luxe brooddeeg, wit brooddeeg verrijkt met suiker, eieren, melk en boter.

Het linzendeeg is dan weer een deeg met bakpoeder als rijsmiddel en bevat in verhouding meer suiker en vetstof waardoor deze vlaai een meer koekjesachtige structuur heeft.

De vlaaien met gistdeeg komen het meest voor,  ze zijn het minst calorierijk, en bovendoen het goedkoopste om te produceren.

De Limburgse vlaai wordt met de fruitvulling erin gebakken, de nabewerking en latere toevoegingen zijn minimaal. Dit in tegenstelling tot veel taarten die blind worden gebakken en nadien wordt gevuld en verder afgewerkt.  Veel hedendaagse vlaaien in de etalages worden opgesmukt met extra beleg, zoals slagroom, meringue, praline- of victiorabeslag, chocoladeschilfers …

Een vlaai moet “dun van leer en dik van smeer” te zijn. Het deeg mag niet te dik zijn in verhouding tot de vulling. Maar toch nog stevig genoeg zodat ze uit de hand gegeten kan worden.

Traditioneel waren vlaaien 27-30 cm groot en zelfs groter. Nu kan je kleinere varianten kopen, of zelfs halve vlaaien of enkele punten/stukken vlaai bij de bakker. Één van de redenen is waarschijnlijk dat de gemiddelde gezinsgrootte is afgenomen.

De Limburgse vlaaien vindt men aan beide zijde van de landsgrenzen en is zowel in Nederlands- als in Belgisch Limburg gekend. Vlaai komt veelvuldig in het dialect voor,  in sommige streken noemt men ze zelfs taart.

De benamingen ‘vlaai’ en ‘taart’ worden meer en meer door elkaar gebruikt.  Taart heeft een Latijnse oorsprong, terwijl vlaai een Germaanse origine heeft.  Dat een deel van (NL) Limburg aan Duitsland grenst zal er wel niet vreemd aan zijn dat het woord ‘vlaai’ meer gangbaar is dan ‘taart’. De Limburgse vlaai zou dan ook van Duitse herkomst te zijn.

Taarten op basis van gistdeeg komen ook voor in andere (aangrenzende) delen van Vlaanderen. In plaats van fruit als vulling wordt hier gekozen voor bvb. Flan, (platte/kwark) kaasvlaai, suikervlaai.

Een vlaai is een interessant  gebak voor bakkers:  zelfde basisdeeg doet dienst voor een variëteit aan vlaaien, vers gebakken. Dikwijls zelfde vulling maar verschillend afgewerkt open, raster (ladder), met deksel, knubbelkes.
De traditionele vulling van de vlaai is meestal lokaal fruit (appel, kers, framboos, … ). Er zijn een paar uitzonderingen abrikozen- en rijstvlaai behoren de de populairste vlaaien.

 

Later s men andere vlaaivullingen beginnen gebruiken. Vlaaien werden veel zelf gebakken door de huisvrouwen. Vlaaien werden in een bakhuis gebakken – na de broden.

Een vlaai was luxe voor de (landelijke) bevolking. De ingrediënten waren simpel en voorhanden in iedere keuken.  Een  heel contrast met de “fancy” opgemaakte hedendaagse (industriële) vlaaien waar het deeg  verbeteraars bevat, en bijna iedere vlaai is voorzien van slagroom of ander extra beleg.